2017-01-21 zaterdag

 

Ik heb nog niet verteld waarom ik gisteren geen koude oren had. Wel, ik had de muts op die Marian ooit voor me heeft gebreid. Ze wil al twintig jaar dat ik dat wollige ding afdank. Maar aan haar herhaalde smeekbede kan ik echt niet voldoen.

 

Die muts is gebreid van heerlijk dikke wol van een schaap dat misschien wel twee seizoenen ongeschoren heeft rondgelopen. Ik heb hem gevoerd om het kriebelen van de wol tegen te gaan. De kleur doet me denken aan de Oostenrijkse Heiterwangersee. De witte randen die erin zijn verwerkt werken als aureolen. Twee nog wel. Ik blaak daarom van zelfvertrouwen onder die hoofdtooi die met veel creativiteit is vervaardigd. Maar de belangrijkste reden dat ik geen afstand kan doen is dat ik nu al vijfentwintig jaar mijn eigen kleren maak maar mijn lieve dochter Marian nodig heb gehad voor een topstuk uit mijn garderobe. Mijn trots daarop kent geen grenzen.

 

Wat zie ik nu? Zit er nu een poes te snuffelen aan de pedaalemmerzak die ik maandag noodgedwongen naast de kliko heb moeten zetten? Heb ik vis gegeten? Oh ja natuurlijk. Een lekkerbekje nog wel. Anderhalf uur oprispingen gehad van amper de helft van dat ding. Advies voor de poes: Niet aan dat plastic krabben. Maar ik moet misschien toch met een verlengsnoer en een haardroger in de weer. Letterlijk in vriesweer. Die klep moet toch ooit open. Hopen dat het winterweer snel voorbij is durf ik niet nu de Elfstedenkoorts Friesland reeds in de ban heeft.